Als stadslezer in Oostende kon ik deelnemen aan de jury van de Lezersprijs van De Bronzen Uil 2024. De Bronzen Uil is een prijs voor debuutromans, met zes boeken op de shortlist. Als lid van de jury werd ons gevraagd om een gemotiveerde top drie in te sturen. De andere drie romans van – in willekeurige volgorde (of niet?) – Lena Kurzen, Rik Van Puymbroeck en Manik Sarkar laat ik buiten beschouwing.
De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf door Maria Kager is het enige boek op de shortlist dat ook zonder De Bronzen Uil op mijn radar zou verschenen zijn. De roman gaat over de eenzaamheid van een intelligent kind, Frida, met al bij al realistische verwachtingen van het leven. Haar vader hanteert in haar opvoeding en als directeur van de Koepelgevangenis in Haarlem een fluïde moreel kader; haar mama stuurt bij waar ze kan, maar heeft het wezenlijk te druk als psycholoog. Met bijna forensische precisie beschrijft Kager hoe de Baby Boomers, soms ongehinderd door goede bedoelingen of empatisch vermogen, Generatie X mismeesterd hebben. En toch, na het lezen van het boek vroeg ik me af of die titel nou wel ironisch is.
Frida’s kindertijd en jeugd weergalmen in de Koepel, een landmark-gebouw opgeleverd in 1901, bedacht en ontworpen door vader en zoon Metzelaar (Kager heeft het niet verzonnen). De doden stapelen zich op omheen de architecten; de doden stapelen zich ook op omheen Frida en toch is Kagers debuutroman een vrolijk boek; licht, speels en scherpzinnig tegelijk. Ze beweegt zich vrijelijk tussen literaire registers (één hoofdstuk heeft zelfs een voetnotenapparaat, een voetnotenapparaat dat bovendien grappig is) zonder dat de stijl of de flow van het boek gebroken wordt. De buitengewoon geslaagde opvoeding van Frida Wolf is daarbij wars van een tendens tot anti-intellectualisme in de letteren. Het is een lelijke paradox, maar steeds vaker worden boeken geschreven zonder dat de auteur enige vorm van onderzoek doet. Dat brengt ons bij mijn nummer twee.
Het geestige boekje Waar zijn de wolken van Suzanne Grotenhuis is snel gelezen en – misschien opmerkelijker – werd snel geschreven, op een smartphone, wandelend in het park met een baby in een draagdoek die alleen op die manier rustig werd, tijdens de droogte van 2023. Het is iets als Alice in Wonderland, maar dan met een moeder in plaats van een meisje, en niet in Wonderland, maar in Berchem of Borgerhout. Net als Alice is de ik-persoon makkelijk te verbazen en te verwonderen, ontmoet ze verwarde, verwarrende en verwarrender mensen en raakt ze verstrikt in semantiek, bijvoorbeeld in het begrip ‘zelf’ als onderdeel van het woord ‘zelfzorg’. Had ik dat op voorhand geweten, ik had Waar zijn de wolken niet willen lezen, maar ik ben blij dat ik dat wel deed. Ik ben vast van plan ook het volgende boek van Grotenhuis te lezen, op voorwaarde dat ze er voor gaat zitten.
Een boek dat gezet is met bijna evenveel witruimte (zonde van het papier) is W. van Tiemen Hiemstra. Hiemstra’s debuut heeft alles om mij voor zich te winnen: thema’s die mij interesseren (verdwijning en spiegeling; de titel had ook M. kunnen zijn) verwerkt door iemand die in de wieg gelegd is om te schrijven. Hiemstra schrijft met een urgentie waar ik moeilijk de vinger op kan leggen en lijkt daardoor als schrijver een personage in zijn eigen boek, een personage dat nooit verschijnt en nooit verdwijnt. Eén en ander vloeit samen in een Antwerps, neo-bohémien circuit van jonge kunstenaars(-achtigen), met alle studentikoze filosofische bespiegelingen en pseudo-mystiek van dien. Dat is heel realistisch – ik schaam me dat ik dat weet – en gemakkelijk en ik heb er nooit van gehouden.
GLMVSE, 10 okt 2024